Diabetes in het dagelijks leven

Welke voeding bij diabetes?

Gezinsleden staan met elkaar in de keuken te praten terwijl ze aan het koken zijn

Het belang van vezels, koolhydraten en eiwitten

In voeding zitten koolhydraten, vetten, eiwitten, mineralen en vitamines. Uw bloedglucosewaarden stijgen vooral van koolhydraten. Ze worden in het lichaam omgezet in suiker. En koolhydraten zitten in heel veel producten. Bijvoorbeeld in snoep, koekjes en frisdranken, maar ook in brood, pizza’s, melk en fruit. Niet alle koolhydraten laten uw bloedglucose op dezelfde manier stijgen. Er zijn zogenaamde snelle koolhydraten en langzame koolhydraten. Langzame koolhydraten zorgen voor een minder snelle stijging van uw glucosewaarden.

Voorbeelden van langzame koolhydraten

  • Volkorenbrood
  • Quinoa, rijst, pasta of couscous met volkorengraan
  • Zilvervliesrijst
  • Bulgur, haver
  • Groenten
  • Peulvruchten zoals bonen, erwten en linzen
  • Melk
  • Yoghurt

Voorbeelden van snelle koolhydraten

  • Suiker, zoet beleg
  • Frisdranken
  • Aardappels
  • Witte rijst
  • Snoep
  • Koek, gebak
  • IJs
  • Honing

Hoe zit het met eiwitten, vezels en vetten in uw eten?

Eiwitten en vetten leveren ook energie, maar worden niet direct omgezet naar suiker. Daarom hebben ze minder invloed op de glucosewaarden. Een klein percentage van de eiwitten wordt in de lever omgezet naar glucose. Hoeveel dit is, is onder meer afhankelijk van het aantal grammen koolhydraten en eiwitten dat iemand eet. Vezels zorgen ervoor dat de koolhydraten uit een product minder snel worden opgenomen in uw bloed en dat u minder snel weer honger heeft. Vezelrijke voeding is daarom belangrijk voor mensen met diabetes.

Meer weten over hoe eten van invloed kan zijn op uw glucosewaarden? Download de brochure 'Voeding, diabetes en insuline.

Hoe hebben combinaties van ingrediënten invloed op uw diabetes 

Alle voedingsmiddelen bevatten energie. Hoe een product uiteindelijk wordt opgenomen in het bloed, wordt ook bepaald door de combinatie van ingrediënten. Zo wordt een product met alleen koolhydraten sneller opgenomen dan een product dat naast koolhydraten ook vetten en/of eiwitten bevat. Ook de rijpheid van fruit kan bijvoorbeeld van invloed zijn op de snelheid waarmee het wordt opgenomen.

Patat, pizza en pannenkoeken

Een goed voorbeeld hiervan zijn patat, pizza en pannenkoeken; maaltijden die bij veel mensen met diabetes de glucosewaarden ontregelen. Patat, pizza en pannenkoeken zijn zowel koolhydraat- als vetrijke maaltijden. Als u de insuline toedient op basis van het aantal koolhydraten, kan dit verkeerd uitpakken. Door het vet uit de maaltijd worden de koolhydraten namelijk vertraagd opgenomen. Dit kan ervoor zorgen dat iemand vlak na het toedienen van insuline hypo’s krijgt en/of juist uren na het eten hypers.

Wilt u ook weten waarom het drinken van alcohol een hypo kan veroorzaken en hoe het zit met light / suikervrije producten, vruchtensappen en het inschatten van portie groottes? U vindt hier meer informatie over in onze brochure 'Voeding, diabetes en insuline'.

Hoe rekent u uit hoeveel koolhydraten er in eten zit?

Met diabetes is het belangrijk om altijd bewust te zijn van de hoeveelheid koolhydraten in het eten. Wanneer een maaltijd bijvoorbeeld minder koolhydraten bevat dan gedacht, kan er zomaar een hypo ontstaan. Terwijl bij een te grote hoeveelheid koolhydraten de glucosewaarde te hoog kan worden.

Er zijn een paar basisprincipes:

  1. Koolhydraat- insuline ratio: dit is de hoeveelheid koolhydraten die 1 eenheid insuline kan verwerken.
  2. Insuline gevoeligheid: hoeveel mmol/l daalt de bloedglucose op 1 eenheid insuline. Dit kan over de dag verschillen en per persoon.
  3. Het soort koolhydraten dat wordt gegeten: snel opneembare (bv. druivensuiker) of langzaam opneembare koolhydraten (bv. aardappelen).
  4. De hoeveelheid vet in de maaltijd: grotere hoeveelheden vet in de maaltijd, zoals bij patat, vertraagd de opname van de koolhydraten.

Door ervaring leert u beter in te schatten hoe uw lichaam reageert op voedingsmiddelen. Dit wordt eenvoudiger wanneer u effectmetingen doet. Bij effectmetingen controleert u uw bloedglucosewaarden direct voor en 1,5 uur na het eten of drinken waarvan u het effect wilt weten. De diëtiste van uw behandelteam kan u hiermee verder helpen, aarzel niet om hier naar te vragen. De ervaring leert dat een gebrek aan kennis en inzicht kan leiden tot voorzichtiger inschatten, waardoor de bloedglucosewaarden gemiddeld hoger zijn. Een goed inzicht in koolhydraten geeft u betere behandelresultaten en meer zelfvertrouwen.